Misvattingen.nl
Kaft

In het nieuws

Oude Eskimo’s gaan het ijs op om alleen te sterven. Want zo doen natuur­volken dat. Als oude mensen vinden dat ze iedereen tot last zijn geworden, maken ze er gewoon zelf een eind aan.

De zoveelste mythe over natuur­volken? Wacht even. In het tijdschrift Journal of the American Medical Association (dl. 284 (2000), p. 1897) vertelt Shetal Shah over zijn stageweek in een zieken­huisje in Alaska. Op een dag komt daar een zeven­en­negentig­jarige Inuk langs die, gevraagd naar zijn klacht, slechts zegt: ‘Over­bodigheid.’ Shah is nog maar medisch student, maar hij voelt de zwijgzame bejaarde haarfijn aan, overlegt met zijn bege­leider, en samen met de familie besluiten ze de aloude tradities te respecteren. ‘Een dag later, gekleed in zijn mooiste jas en mof, en omgeven door zijn familie, stapt hij voorzichtig op de bevroren poolzee. Zijn vermoeide benen moeten even wennen aan het hobbe­lige terrein. Hij glim­lacht nog eens tandeloos, zwaait, en verdwijnt langzaam in de ochtendmist.’

Dus toch?

Maar ook Shahs stage­begeleider leest de Journal. Hij schreef direct een briefje naar het blad dat het verhaal volkomen verzonnen was (dl. 286, p. 919). ‘Er is hier geen bejaarde geweest met de klacht ‘overbodigheid’ of met de bedoeling gedag te zeggen.’

Shah, door de redactie van het blad ter verant­woording geroepen — hij had het verhaal als waargebeurd aangeboden — vond dat echter een onbeduidend detail: ‘Dit betekent niet dat derge­lijke gebeur­tenissen niet voorkomen in het dorp waarover ik schreef. Verschil­lende bewoners en patiënten in Nome vertelden soort­gelijke verhalen tijdens mijn verblijf van vijf weken.’ Omwille van de lees­baar­heid had hij het inderdaad wat moeten samenvatten, maar dat viel ruim binnen de grenzen van de artis­tieke vrijheid en hopelijk ‘kan de medische gemeen­schap zich meer concen­treren op kwesties rond het levens­einde en minder op gesti­leerd schrijven.’

Op 11 maart 2022 trok Shah in het tijd­schrift alsnog het complete verhaal in. Hij realiseert zich nu, ‘in het licht van de huidige nadruk op inclusie’, dat zijn stuk ‘onbedoeld stereo­typen kan hebben versterkt of een onjuiste karakte­risering kan hebben gegeven van inheemse Amerikanen en Alaskanen’.

21 maart 2022


‘Groter als’ mag niet. Er zijn mensen die het schuim op de mond krijgen als iemand in een gesprek argeloos ‘groter als’ zegt. Daar wordt een regel over­treden!

Volgens alle moderne taalboeken is ‘als’ na een vergro­tende trap niet fout. J. Ren­ke­ma noemt het in de veel gehan­teerde Schrijf­wijzer (Den Haag 2012) een ‘oude school­regel’, en hij vindt het ‘heel merk­waardig’ dat het schrijven van groter als ‘als zware fout wordt aan­gerekend’. C. G. L. Apeldoorn zegt in Twijfel­gevallen Neder­lands (Utrecht 1983) al: ‘Dat is niet fout, maar Hij is ouder dan mijn broer is meer verzorgd Nederlands.’ En P. J. van der Horst in Taal en tekst van A tot Z (Zutphen 1988): ‘Men gebruikt hier dikwijls als. Dit wordt niet meer fout gevonden, maar dan heeft de voorkeur.’ De Algemene Neder­landse spraak­kunst van W. Haeseryn e.a. (Groningen 1997) consta­teert eenvoudig: ‘Het voegwoord als is in deze functie niet voor alle taalge­bruikers aanvaardbaar.’ Maar laat daar meteen op volgen: ‘Voor velen is dan zelfs een sjibbolet voor correct Nederlands.’

Wie heeft dat dan bedacht, dat ‘groter als’ niet mag? Dat was de taal­kundige Balthazar Huyde­coper, in 1730. Huyde­coper meende dat men het zo zei in de middel­eeuwen, en dat het daarom zo hoorde. Beide beweringen kloppen niet, maar Huyde­coper had zo'n gezag dat mensen er elkaar tot op de dag van vandaag mee lastig­vallen. En misschien scheelde ook dat Huyde­coper direct erbij wist te vertellen wie de schuld van al die taalver­loede­ring moest krijgen: Alva, die ‘niet alleen de land- en kerk-, maar ook de taalwetten ’t onderste boven smeet en verwarde’ (N. van der Sijs: Taal als mensen­werk: het ontstaan van het ABN, Den Haag 2004).

20 april 2021


De oudste Neder­landse zin is ‘Hebban olla uogala’. Hij wordt altijd bijna vertederd aange­haald, onze eerste Nederlandse zin: ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidan uue nu’ — ‘Zijn alle vogels hun nesten begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nog’. Als het zinnetje Neder­lands is, is het niet het oudste, en waarschijnlijk is het zelfs geen Nederlands.

Het zinnetje, in een voor kenners duidelijk West-Vlaams handschrift, moet begin elfde eeuw in het Engelse Rochester zijn neer­geschreven door iemand die even een pen uitprobeerde. De Britse taalkundige Kenneth Sisam ontdekte het op het achterste schutblad van een boek met preken, de Catholic homilies van Ælfric van Eynsham. Sisam vermoedde direct dat het Neder­lands was, en zijn Groningse collega Moritz Schönfeld gaf hem gelijk — al zag die er zeker ook Engelse trekjes in (Tijdschrift voor Neder­landse Taal- en Letter­kunde, jg. 52 (1933), p. 1).

Er is daarna buiten­gewoon veel over het zinnetje gepubliceerd, en inmiddels is het bijna de spandoek­tekst van het complete Nederlandse taal­onderzoek geworden — in 1998 was ‘Hebban olla uogala’ het motto voor een tentoon­stelling over het alfabet in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Hier zijn drie oudere Neder­landse zinnen: ‘An âuont in an morgan in an mitdon dage tellon sal ic in kundon, in he gehôron sal.’ ‘Visc flot aftar themo uuatare.’ ‘Gelobistu in got alamehtigan fadaer.’ Het is niet helemaal van deze tijd, maar er staat toch vrij duidelijk: ‘’s Avonds en ’s morgens en ’s middags zal ik vertellen en verkon­digen, en hij zal horen.’ ‘Een vis zwom in het water.’ ‘Geloof je in God de almach­tige vader.’

Die laatste zin is driehonderd jaar ouder dan die over de vogeltjes: hij staat in een Utrechtse doopbelofte uit het eind van de achtste eeuw waarin verder wordt gevraagd naar het geloof in ‘crist godes suno’ en de ‘halogan gast’. Er zijn tientallen, zo niet honderden woorden en zinnen ouder dan die van de West-Vlaamse geeste­lijke in Rochester opgetekend, maar juist dit zinnetje doet het publi­citair goed: een eenzame, verliefde non of monnik die om een pen te proberen een versje neer­krabbelt (N. van der Sijs: 15 eeuwen Neder­landse taal, Gorredijk 2019).

Maar in welke taal staan de regels? In 2004 publiceerde de Belgische taalkundige Luc De Grauwe een artikel waarin hij aannemelijk maakte dat de taal van het zinnetje Laat­oudengels was, en geen Oud­nederlands met Engelse trekjes (Tijd­schrift voor Neder­landse Taal- en Letterkunde, jg. 120, p. 44). Het was wel enigs­zins verhaspeld Oudengels, maar dat kwam doordat de naar Kent overgestoken West-Vlaamse scribent het Engels nog niet zo goed beheerste.

De meeste taalkundigen lijken zijn argumenten wel als doorslag­gevend te beschouwen. ‘Hebban olla uogala’ is geen Nederlands, maar middeleeuws steen­kolen­engels (F. van Oostrom: Stemmen op schrift, Amsterdam 2006).

20 april 2021


Samenlevende vrouwen gaan op den duur tegelijk menstrueren. De Amerikaanse psycho­loge Martha McClintock liet 135 bewoon­sters van een studen­tenhuis een half jaar hun menstruatie­datum bijhouden, en conclu­deerde dat de data van kamer­genoten en harts­vriendinnen dichter bij elkaar waren komen te liggen, die van wille­keurig gekozen andere paren meisjes niet (Nature, dl. 229 (1971), p. 244).

Op grond van enigszins verge­lijkbare effecten bij muizen dacht ze direct aan de werking van fero­monen: vluchtige, reukloze stoffen die een dier aanmaakt om zo het gedrag van een ander dier te beïnvloeden, en in 1998 kon ze in hetzelfde blad (dl. 392, p. 177) melden dat synchro­nisatie inderdaad werd geregeld door twee tegen­gesteld werkende, maar nog onbekende, feromonen in oksel­zweet. Nu was haar bewijs gebaseerd op twee maanden onderzoek onder twintig jonge vrouwen.

Haar bevindingen, en vooral haar onderzoeks­methoden, zijn ernstig in twijfel getrokken. De wiskunde van synchro­nisatie is verbazend ingewikkeld. Boven­dien, als een vrouw een enkele keer wat eerder of later ovuleert, raakt het hele patroon ver­stoord — zeker als er maar een paar maanden wordt gemeten. In het geval van onregelmatige cyclussen is synchro­nisatie zelfs aantoonbaar onmogelijk.

Ook in veldonderzoek bleven klinkende resul­taten uit. Een enkele studie kwam nog wel eens tot een positieve bevinding, maar het merendeel toch niet. Noch onder lesbiennes, noch onder Poolse en Chinese studentes, noch onder mandrils en gezamenlijk optrekkende chimpansee­vrouwtjes was sprake van synchro­nisatie. De weten­schappelijke consensus lijkt inmiddels toch wel dat het hele verschijnsel een `artefact' is geweest, of hooguit een aardige hypothese die geen stand heeft gehouden in de confro­ntatie met de harde werke­lijkheid. McClintock zelf heeft na 1998 geen onderzoek naar synchrone ovulatie meer gepubliceerd.

Waarbij nog komt dat de rol van fero­monen in de menselijke commu­nicatie sterk wordt betwijfeld. Er is lang over getwist, maar mensen blijken geen werkend orgaan te hebben dat die stoffen kan waarnemen. Als mensen bio­logisch actieve stoffen waarnemen, gaan die waar­schijn­lijk gewoon via de neus (R. Doty: The great phero­mone myth, Baltimore 2010).

21 oktober 2020


Mensen kunnen niet goed ruiken. Het idee dat mensen veel minder goed kunnen ruiken dan bijvoor­beeld honden en muizen werd in de negen­tiende eeuw als vast­staand feit aangenomen. De Fransman Paul Broca zag dit terug in verge­lijkend hersen­onderzoek (Revue d’Anthropologie, dl. 2 (1879), p. 385). De meeste dieren, zo zei hij, gaan op hun reuk af en hebben een grote hersen­kern voor het waarnemen van geuren. Bij primaten zijn kijken en betasten veel belang­rijker dan ruiken, maar daarvoor is beduidend meer reken­kracht nodig. Vandaar dat daar de voor­hoofds­kwab zich buiten­sporig heeft ontwikkeld: ‘Het is niet langer de reukzin die het dier leidt, het is de intel­ligentie die door alle zintuigen tegelijk wordt geïnformeerd,’ aldus Broca (J. P. McGann: Science, dl. 356 (2017), p. 597).

Latere geleerden, onder wie Sigmund Freud, sloten zich zonder nader onderzoek bij die visie aan: nadat wij mensen rechtop waren gaan lopen, zo oppert Freud aan het eind van zijn Bemerkungen über einen Fall von Zwangs­neurose (1909) verdween het belang van geur voor de geslachts­drift en verkom­merde ons reukorgaan — en dat zou mede onze bevat­telijk­heid voor neuroses kunnen verklaren.

In verhouding tot het totale hersen­volume is de bulbus olfactorius bij de mens inderdaad klein (0,01 procent, tegen bijvoorbeeld 2 procent bij volwassen muizen). Maar in absolute afme­tingen is hij veel groter, ongeveer 60 tegen 4 kubieke millimeter. In aantal zenuw­cellen maakt het niet veel uit, dat ligt bij elk zoogdier rond de tien miljoen. De bedrading bij de mens lijkt erop te wijzen dat wij, zoals Broca ongeveer zei, meer mogelijk­heden hebben geuren te inter­preteren en ervan te leren.

Uit recent onderzoek komt naar voren dat mensen zeker biljoen (12 nullen) vluchtige stoffen kunnen onder­scheiden, veel meer dan de armzalige honderd­duizend die vaak genoemd wordt (C. Bushdid e.a: Science, dl. 343 (2014), p. 1370). Sommige stoffen, zoals vale­riaan­zuur en octaan­zuur, ruiken mensen in lagere concen­traties dan muizen en slinger­apen (A. Sarrafchi e.a.: Plos One, dl. 8 (2013), e34301). De geur van banaan ruiken we net zo snel als muizen en konijnen, stoffen in mense­lijk bloed en zelfs katten­pies eerder.

In een experiment van Jess Porter en collega’s konden de meeste proef­personen een meters­lang spoor van choco­lade-essence in een grasveld volgen (Nature Neuro­science, dl. 10 (2007), p. 27).

28 februari 2022


Wouter Buikhuisen werd uit de weten­schap verdreven. Zo zingt het rond in welinge­lichte kringen. Bijvoorbeeld journalist Aleid Truijens in de Volkskrant van 4 oktober 2014: ‘Vijfen­dertig jaar geleden werd een hoogleraar, crimi­noloog Buikhuisen, met pek en veren van de univer­siteit verjaagd omdat hij hersen­onderzoek deed bij crimi­nelen en de uitkomsten daarvan niet pasten in de heer­sende ideo­logie.’ Haar collega Folkert Jensma schreef in NRC Handelsblad van 24 januari 2009 over Buikhuisen: ‘In 1988 verliet hij de weten­schap na een storm van protesten uit weten­schap, maat­schappij en journa­listiek. Zijn voorstellen om crimi­naliteit uit ‘bio-sociaal perspectief’ te bestu­deren en ook aange­boren afwijkingen te onder­zoeken werden toen ‘fout’ (fascistisch) genoemd.’

De affaire rond Wouter Buikhuisen vlamde op in april 1978. Zijn benoeming tot hoog­leraar crimi­nologie in Leiden wekte nogal wat veront­waardiging omdat hij, met een flinke subsidie, wilde proberen misdadig gedrag te verklaren en voorspellen op grond van indivi­duele biolo­gische kenmerken. Met hersen­onderzoek en aange­boren afwij­kingen had het volstrekt niets uitstaande: het ging om zweet­handen en ‘lage activatie­niveaus’.

Columnist Hugo Brandt Corstius (Piet Grijs: Buikhuisen: dom én slecht, Amsterdam 1978) haalde in het weekblad Vrij Nederland alles en nog wat uit de kast om aan te tonen dat Buikhuisen en zijn onderzoeks­plannen niet deugden, rechts­socioloog Cees Schuyt bestreed de ideeën meer op weten­schaps­filo­sofisch niveau (Nederlands Juristenblad, jg. 21 (1978), p. 389), en collega-crimi­nologen distan­tieerden zich vrij eensgezind — al zal enige naijver daaraan zeker niet vreemd zijn geweest (G. Breeuwsma: De Psycholoog, april 2002, p. 170).

De rel was hevig maar kort: eind 1978 werd Buikhuisen, met nog een enkele protest­actie, geïnstal­leerd en ging hij aan de slag. Er was af en toe nog wel kritiek, maar in feite kon Buikhuisen in de jaren daarna gewoon zijn werk doen. In mei 1986 heette het in een interview met hem in De Tijd: ‘Intussen heeft zich voor hem alles ten goede gekeerd: het verzet tegen dit soort onderzoek is weggeëbd.’

Later in datzelfde jaar meldde Buikhuisen zich echter ziek, en weer twee jaar later, in december 1988, maakte hij bekend zijn hoog­leraar­schap op dokters­advies neer te leggen. Hij keek zelf met veel genoegen op zijn werk­zaam­heden terug: ‘Even enthou­siast als ik eraan begonnen ben, heb ik die periode in mijn leven afgesloten’ (Algemeen Dagblad, 24 mei 1997).

En hadden de critici gelijk? In een stuk in de Volkskrant en een hoofdstuk in Echte mannen willen niet naar Mars ben ik meer inhoudelijk ingegaan op de zaak.

23 juli 2020


Wij hebben een reptielen­brein. De mens heeft eigenlijk drie breinen, waarvan er twee geërfd van dieren. Ons oudste erfgoed is het reptielachtige brein, de hersenstam, waar vooral de instincten zetelen. Daarbovenop ligt een structuur geërfd van de lagere zoogdieren, het limbisch systeem, met onze emoties, geheugen, empathie. En daaromheen gedrapeerd ligt het evolutionair jongste deel van onze hersenen, de neocortex, van belang voor rationa­liteit en bewust­zijn. De neocortex is typisch voor de hogere zoogdieren, en heeft bij de mens het hoogste stadium van ontwikkeling bereikt — ‘het brein van lezen, schrijven en rekenen’.

Aldus de bedenker van de theorie van het ‘drievuldige brein’, de Amerikaanse neuroloog Paul MacLean in 1967 (Journal of Nervous and Mental Disease, dl. 144, p. 374). Het ‘reptielen­brein’ is vast onderdeel van de pop-psychologie geworden — ‘Sorry, het was mijn reptielen­brein dat reageerde.’ In de Verenigde Staten werd het reptielen­brein vooral bekend dankzij Carl Sagan, in Nederland dankzij Piet Vroon (De tranen van de krokodil: over de te snelle evolutie van onze hersenen, Baarn 1989).

Het idee heeft in academische kringen minder aanhangers. Hoewel duidelijk is dat bepaalde hersen­onderdelen bepaalde taken zijn toebedeeld, is bijvoorbeeld de hersenstam ook van belang bij de regulatie van emoties en zelf­beheersing. Hersen­onderzoekers leggen tegenwoordig juist de nadruk op de voort­durende samen­werking en afstemming tussen alle onderdelen — ook een woede­aanval wordt beoordeeld op gevolgen op de lange en korte termijn, ook rationele over­wegingen gaan gepaard met emoties.

Het ‘reptielenbrein’ is vooral een achter­haalde, antropo­centrische metafoor. Een krokodillen­moeder zorgt goed voor haar nakroost, hagedissen hebben een rijk sociaal leven. De intel­ligentie van vogels is inmiddels legen­darisch, en vissen hebben gewoon een hersen­stam en een limbisch systeem.

28 juni 2020


Pippi Langkous zei: ‘Ik heb het nooit gepro­beerd, dus ik denk wel dat ik het kan.’ Het klinkt misschien voor managers als iets wat Pippi Langkous had kunnen zeggen, maar zo komt het niet in de boeken van Astrid Lindgren voor. In het tweede boek, Pippi Langkous gaat aan boord (1946), wil Pippi een piano kopen:

‘Ja maar Pippi,’ zei Tommy, ‘je kunt toch niet piano spelen?’

‘Hoe kan ik dat nou weten als ik het nog nooit geprobeerd heb,’ antwoordde Pippi. ‘Ik heb nog nooit een piano gehad om het te proberen.’

28 juni 2020


Kaft
Koop het boek