Hans van Maanen

Encyclopedie van misvattingen

Geschiedenis

Er rust een vloek op het graf van Toetanchamon

Xanthippe was een helleveeg

Socrates mopperde al over de jeugd van tegenwoordig

Diogenes leefde in een ton

Cleopatra was een Egyptische koningin

Rome werd op zeven heuvelen gebouwd

Caesar was keizer

Caesars laatste woorden waren: 'Et tu, Brute.'

Romeinse soldaten werden met zout betaald

Heren sluiten links-over-rechts omdat de Romeinen het al zo deden

Nero speelde viool terwijl Rome brandde

Christenen werden in het Colosseum voor de leeuwen gegooid

Romeinen kotsten in een vomitorium

Romeinen werden tot de galeien veroordeeld

Het Romeinse rijk ging aan loodvergiftiging ten onder

Noormannen droegen helmen met hoorns
De heldhaftige Vikingen dragen op schoolplaten en in opera's helmen met hoorns, maar in werkelijkheid zullen ze dat wel uit hun hoofd hebben gelaten --- zo geef je de vijand wel erg makkelijk houvast. De eerste vermelding van helmen met hoorns is al te vinden bij geschiedschrijver Diodorus Siculus in de eerste eeuw na Christus, die zegt dat de Galliërs ze droegen. Ook Plutarchus verwijst ernaar.
Voor zover nog valt na te gaan, waren gehoornde hoofddeksels wel bekend bij de Vikingen en de Kelten, maar werden ze alleen tijdens ceremoniële gelegenheden gebruikt.
Met name door de enscenering van Richard Wagners Der Ring des Nibelungen in 1876 door Carl Emil Doepler heeft de gehoornde helm van de Oergermanen zich in het collectieve geheugen vastgezet. Wagner vond de kostuums overigens 'te historisch', zijn vrouw Cosima deden ze vooral aan 'indianen-opperhoofden' denken. De kostuums werden van de hand gedaan en in heel Europa gebruikt voor opvoeringen van de Ring.
Er wordt in dit verband ook nog wel eens verwezen naar de Zweedse tekenaar August Malmström, die illustraties verzorgde bij de uitgave van Esaias Tegnérs Frithiofs Saga (1825) --- het boek dat leidde tot de wederopstanding van de Germaanse goden in Europa. Maar de helmen van de Noormannen in die tekeningen hebben hooguit vleugeltjes, geen hoorns. Pas in de illustraties van Thomas Heath Robinson bij de Engelse vertaling uit 1912 krijgen de hoorns op de helmen potsierlijke afmetingen.
In het Nederlandse paspoort van 1995 staat een horkerig stripverhaaltje dat op werkelijk elke pagina een cliché uit de vaderlandse geschiedenis oplepelt. De Viking bij Dorestad draagt een helm met hoorns.

De Noormannen verwoestten Dorestad

Er was ooit een vrouwelijke paus
Een ietwat scabreus verhaal wil dat in de negende eeuw korte tijd een vrouw paus is geweest: pausin Johanna. Volgens dit verhaal zou een jonge in Mainz geboren Engelse vrouw in 855 unaniem tot paus zijn gekozen nadat ze, als monnik verkleed, Europa was doorgereisd en op iedereen indruk had gemaakt met haar geleerdheid. Ze bekleedde de pauselijke stoel onder de naam Johannes Anglicus of Johannes VIII, tussen de pontificaten van Leo IV en Benedictus III. Ze raakte echter zwanger van haar kamerdienaar, en toen ze tijdens een processie van de Sint-Pieter naar het Lateraan --- kennelijk geheel onverwachts --- baarde, viel ze door de mand. Haar kind en zij overleden ter plekke.
Sindsdien, zo gaat het verhaal verder, moeten alle pausen eerst op een stoel met een gat in de zitting plaats nemen, zodat ze op hun geslacht kunnen worden gecontroleerd. De geestelijke die de proef afneemt, roept dan blij: 'Habet!' ('Heeft!'), waarop de anderen: 'Deo gratias!' ('God zij dank!').
Voor zover valt na te gaan, werd het verhaal het eerst rond 1260 opgeschreven door Steven van Bourbon, en daarna vooral populair, in bovenstaande versie, door Martin van Troppaus overzicht Chronicon pontificum et imperatorum uit het eind van de dertiende eeuw. Het werd voor waar gehouden door Boccaccio en Petrarca.
De laatste die de geschiedenis in Nederland wetenschappelijk trachtte te verdedigen, was de protestante Leidse hoogleraar Nicolaas Kist; hij werd meteen terechtgewezen door zijn katholieke collega Justus Wensing (De verhandeling van N. C. Kist, over de pausin Joanna, nagelezen en getoetst, 's-Gravenhage 1845). Inmiddels geldt het verhaal als slechts een van de vele antipaapse pauslegenden uit de Middeleeuwen.
Leo IV stierf op 17 juni 855, Benedictus III werd op 29 september van hetzelfde jaar tot paus gekozen.

Het 'jus primae noctis' heeft echt bestaan

Kruisridders deden hun vrouw een kuisheidsgordel om

Een harnas was zo zwaar dat de ridders op hun paard moesten worden gehesen

In de Middeleeuwen werden heksen vervolgd

Het begrip 'jeugd' kende men niet in de Middeleeuwen

Middeleeuwse geleerden twistten over het aantal engelen dat op de punt van een naald kon dansen

De Middeleeuwen waren duister

Thomas à Becket werd vermoord

Marco Polo bracht de spaghetti mee uit China
Marco Polo's Boek van miljoen wonderen stamt uit ongeveer 1298. Het biedt een schat aan informatie over China, verzameld tijdens zijn lange verblijf in dat rijk. Volgens het voorwoord van het boek reisde Marco Polo voor het eerst in 1271 met zijn vader en oom, beiden kooplieden, naar China. Daar won Marco Polo de gunst van Koeblai Chan, die hem tot speciale gezant benoemde en tot gouverneur van Nanking. Na meer dan twintig jaar keerde hij in 1295 terug naar Venetië. Tijdens de oorlog tegen Genua werd hij gevangengezet; in de cel dicteerde hij het relaas van zijn reizen aan Rustichello da Pisa.
Het werk, in het Oud-Frans, werd bekend als Il milione, en het was eeuwenlang het Europese standaardwerk over de Oriënt. De vele onwaarschijnlijke en fantastische zaken die erin beschreven worden, nam men graag voor lief.
Maar Frances Wood, hoofd van de Chinese afdeling van de British Library, benaderde de zaak van de andere kant. Als Marco Polo werkelijk door heel China gereisd had, zo vroeg zij zich af in Did Marco Polo go to China? (Londen 1995), waarom beschrijft hij dan niet de Chinese Muur? Waarom heeft hij het nooit over Chinese thee? Waarom was hem de gewoonte de voeten te binden twintig jaar lang ontgaan --- terwijl dat alle latere reizigers onmiddellijk opviel? Hij heeft het niet over het Chinese schrift, niet over de boekdrukkunst, niet over eten met stokjes, en geen enkele streek heeft op hem zoveel indruk gemaakt dat hij de Chinese naam ervan onthield of er meer over kon zeggen dan wat algemeenheden.
Tegelijkertijd is er in de Chinese boeken niets terug te vinden van zijn bezoek, terwijl de Chinese bureaucraten toch de vreemdste dingen bijhielden. Als Marco Polo werkelijk speciaal gezant van de grootvorst was, is dat niet gedocumenteerd.
Wood verdenkt Marco Polo ervan, dat hij nooit verder is gekomen dan de handelsposten van zijn familie aan de Zwarte Zee, en dat hij daar Arabische reisboeken heeft gelezen. Uit die bronnen moet hij gehaald hebben dat men in China porselein, papiergeld en steenkolen gebruikte.
Verstomd is de discussie echter nog geenszins. Woods boek ontving direct ook veel kritiek, en de Duitse sinoloog Hans Ulrich Vogel wijst er bijvoorbeeld op dat Marco Polo details over papiergeld en zoutproductie meldde die pas in recent wetenschappelijk onderzoek boven water zijn gekomen. 'Mij lijkt het vreemd om aan te nemen dat van alle middeleeuwse auteurs die over het Verre Oosten schrijven, Marco Polo net degene is die niet in China is geweest.' (Marco Polo was in China, Leiden 2013).

Floris V was populair bij de arme boeren

Willem Beukels vond het haringkaken uit
Volgens de overlevering was Willem Beukels een arme visser uit Biervliet die het haringkaken uitvond. Kaakharing is 'op zee gereinigde en gezouten vis met behoud van de kop', zoals een tolbeschikking uit Sint-Omaars het in 1377 noemt. Zodra de vis is opgehaald, worden kieuwen, hart en darm verwijderd. De alvleesklier laat men zitten: die moet de haring verder doen 'rijpen'. De vis wordt in tonnen gelegd en met zout besprenkeld.
Maar dergelijke conservering werd al voor Beukels' tijd toegepast --- ook buitengaats. 'Er kan in ieder geval van een Vlaamse uitvinding van het haringkaken geen sprake zijn,' meent Roger Degryse (Vlaanderens haringbedrijf in de Middeleeuwen, Antwerpen 1944). Door het kaken op zee werd de vis langer houdbaar en smakelijker.
De rol van Beukels is historici, door gebrek aan bronnen, volstrekt onduidelijk. De traditie dat Beukels de uitvinder van het kaken zou zijn, werd waarschijnlijk vooral populair door Jacob Cats, die aan het eind van zijn Tweeëntachtig-jarig leven een lofzang op Biervliet (waar hij zijn fortuin had gemaakt) schreef:
De Haring die men ving en kon niet lange duuren,
En scheen maer kost te sijn voor onse nagebuuren:
Want soo men desen visch hout weynig dagen lanck.
Soo word hy gansch onnut en is maer enkel stanck.
Maar Beuckels heeft voor eerst den haring leeren kaaken.
In 1312 wordt Willem (of Gillis) Beukels vermeld als schepen van Biervliet; een arme visser was hij zeker niet. En het sterfjaar 1397 dat op een gedenkraam in Biervliet wordt gemeld, kan dus ook niet kloppen.
In 1955 stak in Rotterdam een vreemde ziekte op, die na een paar jaar medisch detectivewerk kon worden toegeschreven aan een parasitair wormpje in de haring (F. C. Kuipers, P. H. van Thiel en E. T. Roskam: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, jg. 104 (1960), p. 422). Normaal gesproken overleven die wormen het kaken niet, maar Rotterdammers houden van oudsher van amper gezouten, 'groene' haring, en bovendien werd clandestien de nieuwe haring pas aan wal gekaakt, waardoor hij veel goedkoper was. In 1968 werd bewezen dat de haringworm een etmaal in de diepvries niet overleeft, dus voortaan moest de haring meteen op zee naar de -20 °C. Het betekende het einde van de worm, maar ook van de echte groene haring. Sinds 2007 moet in de Europese Unie alle vis die rauw wordt gegeten uit de diepvries komen.
Terzijde: 'nieuwe haring' is geen jonge haring, maar volwassen haring die zichzelf ter voorbereiding op het voortplantingsseizoen na de winter heeft vetgemest.

Eduard III raapte een kousenband op en stichtte de Orde van de Kousenband

Jeanne d'Arc was Frans

Columbus dacht als enige dat de aarde een bol was

Columbus ontdekte Noord-Amerika

Syfilis werd meegebracht door Columbus

Columbus bracht tuberculose naar Amerika

Traditionele landbouw was beter

Indianen leefden in harmonie met de bizons

Indianen leerden scalperen van de blanken

Magalhães voer als eerste om de wereld

Lucrezia Borgia vergiftigde iedereen

Luther spijkerde zijn stellingen op de kerkdeur

Luther zei: 'Hier sta ik, ik kan niet anders.'

Calvijn was Zwitser

Maria de Bloedige was bloeddorstig

Willem van Oranje werd Willem de Zwijger genoemd

Willem van Oranje zei: 'Mon Dieu, ayez pitié de mon âme, et de ce pauvre peuple.'
Oranje sprak geen woord Nederlands --- hij was hier ook maar zelden --- dus hij zal inderdaad zijn laatste woorden op 10 juli 1584 wel in het Frans (of het Duits) hebben gezegd. Maar of die 'Mon Dieu, ayez pitié de mon âme, et de ce pauvre peuple' waren, is onzeker.
Ze staan wel zo in het officiële Verhael vande moort, geschreven onder leiding van Willems hofprediker en raadsman Pierre Loyseleur de Villiers, maar dat rapport is 'minder objectief dan het wil lijken', aldus de historici Peter Paul de Baar, Els Kloek en Tom van der Meer (Balthasar G., Amsterdam 1984). 'Tenslotte zijn er sterke aanwijzingen dat deze predikant --- zelf geen ooggetuige van de moord --- Willems beroemde vrome laatste woorden zelf verzonnen heeft. Voor een geloofsheld en een Vader des Vaderlands leek hem dat een waardiger slotakkoord dan gerochel of gevloek.' De Villiers had Willem al eerder aantoonbaar onjuiste teksten in de mond gelegd.
In 2012 vlamde de, altijd sluimerende, discussie op naar aanleiding van onderzoek waaruit moest blijken dat de schoten van Balthasar Gerards de prins op slag doodden, maar dat bleek zo vol gaten te zitten dat het niet erg serieus werd genomen. Het leidde wel tot nieuwe argumenten voor en tegen.
Zo wees de historicus Anton van der Lem erop dat de woorden van Oranje al enkele uren na de moord werden opgetekend in de Resolutiën van de vergadering van de Staten-Generaal, eveneens in Delft --- '... ende heeft Zyne Excellentie in het vallen gheroepen: mon Dieu, ayez pitié de mon âme, mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre Peuple: mijn Godt ontfermpt U mijnder ende uwer ermer ghemeynte.' Als de woorden ter plekke verzonnen zijn, moet de bedenker stellig over een grote tegenwoordigheid van geest hebben beschikt.
Ook de oudste dochter van de prins, Maria, die wel ooggetuige was van de moord, meldde de twee zinnen in een brief die ze op 17 juli schreef (J. Roelevink: Zweeg Willem van Oranje na het schot? Huygensinstituut, april 2012). Geloven we het Verhael vande moort, dan is het laatste woord van Willem 'ja' geweest: toen zijn zuster, de gravin van Schwarzburg, hem nog even snel in het Duits vroeg 'Oft hij sijn siele niet en stelde inde handen Christi Jesu, soo antwoorde hy inde selve taele, Jae, ende en heeft noyt meer ghesproken.'

'Geuzen' was een scheldnaam

Egmond en Hoorne werden onthoofd

Wij vieren 1 april omdat Alva op die datum Den Briel verloor

Kenau verdedigde Haarlem

Leiden kreeg zijn universiteit als dank voor het verzet

De Tachtigjarige Oorlog duurde tachtig jaar

Leeghwater maalde het Haarlemmermeer droog

Kapers zijn zeerovers

Nicot bracht de tabak naar Frankrijk, Raleigh naar Engeland

De groenlandvaart ging naar Groenland

Slaven werden tijdens vervoer opeengepakt

J. P. Coen zei: 'Ende desespereert niet.'

De wal van Wall Street moest de indianen tegenhouden

Tromp voer met een bezem aan de mast door het Kanaal
De legende wordt in Nederland niet zo vaak verteld, maar in Engeland en Amerika des te meer: na zijn overwinning op de Engelse admiraal Blake op 30 november 1652 zou Maarten Harpertszoon Tromp triomfantelijk een bezem aan zijn mast hebben gebonden, ten teken dat hij de zee had schoongeveegd.
'Niet één geloofwaardige schrijver, Engels of Nederlands, noemt het zelfs maar als gerucht,' stelt marinehistoricus John Knox Laughton in zijn artikel over Blake in de National Dictionary of Biography (Londen 1886). Maar hij weet ook te melden dat al een paar maanden na de zeeslag 'een anonieme en onbekende schrijver in een krant schreef: 'Tromp zou, naar wij hebben begrepen, de bezem in top hebben gevoerd' (Daily Intelligencer, 9 maart 1653). Het verhaal was wellicht in de vloot ontstaan als grap, zonder enige fundering.'
Tromps vreugde was hoe dan ook van korte duur: in februari 1653 ging bij de Driedaagse Zeeslag de hegemonie over het Kanaal weer verloren.

De Ruyter voer de ketting bij Chatham stuk

Gekrenkte beroepseer dreef de grote kok Vatel tot zelfmoord

Lodewijk XIV zei: 'L'état c'est moi.'
Er is geen enkele aanwijzing dat Lodewijk XIV (1638--1715) ooit deze uitspraak heeft gedaan. Gezegd wordt wel dat Voltaire hem deze woorden in de mond heeft gelegd, maar dat klopt evenmin: in Le siècle de Louis XIV (1751) vertelt Voltaire alleen het verhaal dat de koning in april 1655 het parlement verbood enige aanmerking op zijn beleid te maken, maar daar kwamen geen gevleugelde woorden aan te pas.
Het citaat duikt pas voor het eerst op in 1818 --- vandaar dat Jaap Engelsman er in zijn Bekende citaten uit het dagelijks taalgebruik (Den Haag 2004) op wijst dat het niet ondenkbaar is dat Napoleon de uitdrukking als eerste bezigde. Als Napoleon in ballingschap op Sint-Helena in 1816 vertelt over zijn greep naar de macht in 1813, haalt hij ook een uitspraak aan die hij toen deed: 'Vanaf die dag was de publieke zaak, de Staat, dat was ik' --- 'l'État, ce fut moi'. Die uitspraak, voegt Napoleon eraan toe, deed hij voor de goede verstaanders, maar werd krachtig veroordeeld door geborneerde geesten en kwaadwillige lieden.
Later is de uitspraak dan van de ene absolute heerser op de andere overgegaan.

Lodewijk XIV werd de Zonnekoning genoemd omdat hij zo machtig was

Peter de Grote leerde de scheepsbouw in Zaandam

In de Stadhouderloze Tijdperken was er geen stadhouder

Lodewijk XV zei: 'Après nous le déluge.'
Het is niet ondenkbaar dat Lodewijk XV, achterkleinzoon van de Zonnekoning, zich dit ooit heeft laten ontvallen. Het zou echter het stopwoordje zijn geweest van zijn officiële maîtresse, Madame de Pompadour (1721--1764). 'Madame de Pompadour reageerde, dronken van geluk, op elke toekomstige dreiging met deze drie woorden die zij vaak herhaalde: Na ons, de zondvloed.' Zo althans begint Jean-Baptiste-Denis Després zijn biografische schets in Mémoires de Madame du Hausset, femme de chambre de Madame de Pompadour (Parijs 1824).
Tellen kon hij niet, en Després heeft ook voor het overige wel erg weinig goede woorden voor Madame de Pompadour over, dus hoe betrouwbaar zijn karakterschets is, zestig jaar na het overlijden van de markiezin, is voor discussie vatbaar.
Een andere bron is de in die tijd gevierde sopraan Marie Fel, die een relatie had met de al even gevierde portretschilder Maurice Quentin de la Tour. Zij hoorde van hem dat Madame de Pompadour het had gezegd om de koning te troosten nadat het Frans-Oostenrijkse leger op 5 november 1757 door Frederik de Grote in de pan was gehakt. De La Tour werkte juist aan een portret van Madame de Pompadour, toen de koning binnenstapte. De markiezin zei hem dat het geen zin had zo verdrietig te zijn, dat hij nog ziek zou worden, 'qu'au reste après eux le déluge'.
Marie Fel schreef erover in een herinnering na het overlijden van de schilder in 1788 (C. Desmaze: Le réliquaire de M. Q. de la Tour, peintre du roi Louis XV, Saint Quentin 1873). Of haar herinnering klopt is wederom de vraag: het portret van Madame de Pompadour was af in 1755; pas twee jaar later was de slag bij Rossbach.
De uitdrukking 'Na ons de zondvloed' won waarschijnlijk juist in die tijd aan populariteit. In 1756 geeft de econoom Victor Riqueti de Mirabeau in L'ami des hommes, ou Traité sur la population af op de onverschilligheid van rijkaards die menen dat hun brandkast ze ook in slechte tijden niet in de steek zal laten 'en na mij de zondvloed'. De Franse filosoof Gabriel Bonnot de Mably hekelt in een pamflet van 18 augustus 1758 juist de kleine burgerij die van dag tot dag leeft: 'de toekomst verontrust ze amper: na hen de zondvloed' (Oeuvres XI, Parijs 1794).
Een internetzoektocht levert als vroegste vermelding een Haagse uitgave van Don Quichotte uit 1746, Les principales avantures de l'admirable Don Quichotte. Sancho Panza krijgt een vorstelijke beloning en overweegt daarvan een graafschap of op zijn minst de mooiste wijngaard van het dorp te kopen 'et fera les Vignes qui pourra. Après nous le Déluge.' (Het eerste deel verwijst naar een Frans gezegde, 'als we dood zijn, mag iemand anders voor de wijngaarden zorgen'.) Uit de inventarislijsten van het Franse hof, ook op internet, weten we dat Madame de Pompadour een exemplaar van dit boek in haar bibliotheek had.
De gedachte is uiteraard al geformuleerd door de klassieken. Seneca De clementia II, 2) houdt Nero voor dat de Grieken reeds zeiden: 'Na mijn dood mag de aarde in vlammen opgaan', en de alom gelezen Erasmus verwijst daarnaar in zijn Adagia (1, 3, 280). Stratoon van Sardis besluit in de tweede eeuw van onze jaartelling een van zijn erotische puntdichten met: 'Laat mijn botten zoveel mogelijk wijn drinken, als ze dood zijn mag Deukalioons vloed ze bedekken.' Deukalioon is de Griekse tegenhanger van Noach.

Catharina de Grote werd verpletterd door een paard

George Washington was niet de eerste president van de Verenigde Staten

De Bastille werd bestormd

Guillotin ontwierp de guillotine
Met de valbijl zijn, tijdens het Franse Schrikbewind van juni 1793 tot juli 1794, zo'n achtduizend Fransen onthoofd. Het instrument was vooral bedoeld als verbetering in de strafrechtpleging.
Valbijlen waren overal buiten Frankrijk al in gebruik voordat Joseph-Ignace Guillotin zich ermee ging bemoeien. In de dertiende eeuw had men al valbijlen in Brussel en Dendermonde, in de vijftiende eeuw heette het instrument in Italië 'mannaia' en in Engeland 'Scottish maiden'.
Guillotin diende in 1789 een wetsvoorstel in ter humanisering en democratisering van het strafrecht. Gelijke misdaden moesten gelijk gestraft worden, verbeurdverklaring van de goederen van de misdadigers was onethisch, en onthoofding met de valbijl --- tot dan toe een voorrecht van de adel --- moest de algemene manier van executie worden.
Guillotins voorstellen werden pas na lange aarzelingen in 1791 aangenomen. Hoogtepunt van de debatten was Robespierres gloedvolle, maar vergeefse pleidooi voor volledige afschaffing van de doodstraf. In 1792 kreeg de secretaris van de Academie van Chirurgie, Antoine Louis, de opdracht een machine te ontwerpen die, zoals de nieuwe wet eiste, feilloos en onmiddellijk onthoofdde. Louis vond de oplossing in het enigszins schuin plaatsen van het in Engeland gebruikelijke ronde blad, en de pianobouwer Tobias Schmidt kreeg de opdracht de nieuwe valbijl te vervaardigen --- een octrooi werd hem geweigerd.
De machine werd afwisselend 'louison', 'louisette' en 'guillotine' genoemd --- en door het volk ook wel 'het nationale scheermes' --- maar tot uitgesproken opluchting van Louis beklijfde slechts de vernoeming naar zijn collega.
Niet Guillotin was het eerste slachtoffer, zoals sommige lugubere verhalen het willen, maar de struikrover Nicolas-Jacques Pelletier, op 25 april 1792. De eerste politieke executie was een paar maanden later, op 21 augustus 1792, toen de stadhuisbeambte Collenot d'Anglemont wegens verraad werd terechtgesteld.
Tot afschuw van Guillotin volgden er velen, maar de Fransen vonden het prachtig: miniatuurvalbijltjes voor op de schoorsteenmantel of als bijou vonden gretig aftrek.
Toen er na de val van Robespierre een eind was gekomen aan de Terreur, achtte de befaamde Duitse anatoom Samuel Sömmerring de tijd rijp zich in het openbaar af te vragen of slachtoffers van de guillotine zich niet nog enige tijd na de executie bewust waren van hun lot en of daarmee de guillotine niet juist het wreedst denkbare instrument was. 'Het hoofd behoudt zijn levenskracht lang nadat het van de romp is gescheiden,' schreef hij in november 1795 in een brief naar het veelgelezen dagblad Le moniteur universel, en 'ik ben ervan overtuigd dat als er nog lucht langs de intacte stembanden zou gaan, deze hoofden zouden spreken.' Hij schatte, gezien de tijd die het kostte voor een hoofd om af te koelen, dat het bewustzijn pas met een kwartier geweken zou zijn.
Franse artsen moesten weinig van de Duitse Naturphilosophie en 'levenskracht' hebben (en wellicht nog minder van Sömmerrings insinuatie dat de Franse wetten stompzinnig en wreed waren en dat pleitbezorgers van de guillotine naar de kannibalen afgevoerd moesten worden). De kranten stonden direct bol van de ingezonden brieven, en met een week was de crisis bezworen. Het laatste woord had de niet minder beroemde Franse fysioloog Pierre-Jean-Georges Cabanis --- die, na alweer een uitgebreide reeks wetenschappelijke tegenwerpingen, wel erkende dat hij 'slechts de zekerheid van de analogie en argumentatie ter beschikking had en niet de zekerheid van de eigen ervaring' (G. Chamayou: Revue d'histoire des sciences, dl. 61 (2008), p. 333). Het is, zei hij onder meer, ondenkbaar dat de klap je niet bewusteloos slaat, laat staan dat je nog voldoende bijdehand bent om boos te worden of op verzoek met de oogleden te knipperen.
De discussie is echter niet geheel verstomd. In zijn vragenrubriek 'The straight dope' in de Chicago Reader in januari 1982 deed Cecil Adams de zaak af als onzin, maar hij ontving tot zijn verbijstering een brief van een veteraan die beschreef hoe een vriend van hem onthoofd werd bij een auto-ongeluk: 'Zijn gezichtsuitdrukkingen waren eerst schok en verwarring, daarna angst of verdriet. Ik ga niet overdrijven en zeggen dat hij rondkeek, maar hij vertoonde oogbewegingen in zoverre dat zijn ogen naar mij, naar zijn lichaam en weer naar mij keken. Hij had direct oogcontact met mij toen zijn ogen een verre, afwezige uitdrukking kregen . . . toen was hij dood.' Adams liet zich door de briefschrijver overtuigen en 'had spijt van zijn aanvankelijke scepsis'.
Guillotin overleed op 26 maart 1814, daags voor de slag om Parijs. Hij werd inderhaast begraven op Père-Lachaise, en in de chaos noteerde niemand waar precies. Hij stierf kinderloos; dat zijn nazaten hun naam veranderden, zoals in veel misvattingenverzamelingen staat, lijkt dus onzin --- al waren er zeker Guillotins die een andere achternaam wilden: zo mochten de gebroeders Louis-Paul en Auguste-Marie-Laurent Guillotin uit Rouen zich in 1830 Sainte-Marie noemen. Er wonen nog honderden Guillotins in Frankrijk, vooral in het noordwesten.

Robespierre zei: 'De Republiek heeft geen geleerden nodig.'

Marie-Antoinette zei: 'Qu'ils mangent de la brioche.'

Napoleon ontwierp de Code Napoléon

Aan Napoleon danken wij al die rare achternamen

De Russische winter brak Napoleon op

Koning Willem I landde in 1813 in Scheveningen

Huisjesmelkers waren hardvochtige geldwolven

John Snow verwijderde de slinger van de pomp en de choleraepidemie was voorbij

Bismarck zei: 'Blut und Eisen.'

Koningin Victoria zei: 'We are not amused.'

Duivelseiland was een hel

Lincolns 'emancipatieproclamatie' bevrijdde de slaven

Cowboys hadden revolvers

Het Winterpaleis werd bestormd

Tsaristisch Rusland was achterlijk

Dikke Bertha beschoot Parijs

Na de krach van 1929 sprongen bankiers massaal uit de ramen

Tijdens Mussolini reden de treinen op tijd

Pal voor de Duitse inval zei Colijn nog: 'Gaat u maar rustig slapen.'

Chamberlain beloofde 'vrede in onze tijd'

Hitler voorzag Duitsland van de Autobahn

Hitler bedacht de term 'Blitzkrieg'

De veldtocht tegen Frankrijk in 1940 was als Blitzkrieg bedoeld

Göring zei: 'Wenn ich Kultur höre, entsichere ich meinen Browning.'
Hermann Göring, van 1931 tot aan het einde de rechterhand van Adolf Hitler, was een explosieve, geëxalteerde persoonlijkheid, die weinig met cultuur op zal hebben gehad --- hij wilde liever vechten. Maar de zinsnede 'Als ik cultuur hoor, ontgrendel ik mijn revolver' (of woorden van gelijke strekking) komt niet van hem. En ook niet van propagandaminister Joseph Goebbels.
De zin komt uit een toneelstuk van Hanns Johst, Schlageter, uit 1933. Johst was president van de 'Kampfbund für deutsche Kultur', en schreef talloze propagandastukken --- Schlageter gold als het schoolvoorbeeld van het nationaalsocialistische drama. In het toneelstuk, over een gelijknamige officier die een heldenrol krijgt tijdens de Franse bezetting van Rijnland, heeft de figuur Thiemann de regels: 'Hier wird scharf geschossen! Wenn ich Kultur höre, entsichere ich meinen Browning!'
Hij bedoelde niet het woord 'cultuur', maar cultuur, want in de zin daarvoor fulmineert hij: 'Weg met al het ideologisch gezanik!'

Gerbrandy zei: 'Goodbye mister Churchill.'

Churchill zei: 'Blood, sweat and tears.'

Churchill liet Coventry opzettelijk bombarderen

Het bombardement op Rotterdam was misdadig

Dankzij onze goede administratie werden zoveel joden in Nederland opgepakt

Tijdens de bezetting werden veel homo's vervolgd

In de Hongerwinter werd Zweeds wittebrood uit vliegtuigen gegooid

Nederland werd op 5 mei bevrijd
Op de ochtend van 5 mei 1945 werd de bevelhebber van de Duitse troepen in Nederland, generaal Blaskowitz gesommeerd uit Hilversum naar hotel De Wereld in Wageningen te komen om de details rond de capitulatie in Nederland te bespreken --- een dag eerder had vrijwel het gehele westelijke Duitse leger zich op de Lüneburgse heide al overgegeven aan de Britse veldmaarschalk Montgomery.
Blaskowitz leek dat een militair-administratieve aangelegenheid, dus hij stuurde zijn chef-staf Reichelt, die al eerder met de bevelhebber van het Canadese corps in Nederland, Charles Foulkes, had onderhandeld. Foulkes wenste echter dat Blaskowitz zelf naar Wageningen zou komen.
Daar kreeg hij het capitulatiedocument voorgelezen, maar Blaskowitz wilde niet ondertekenen voordat hij zeker wist dat hij aan alle eisen kon voldoen. Hij vroeg en kreeg vierentwintig uur uitstel.
De volgende dag, zondag 6 mei 1945, keerden de Duitsers terug naar Wageningen, waar zij werden opgewacht door Foulkes. De officiële lezing is dat vervolgens in de aula van de Landbouwhogeschool de nodige documenten door Foulkes en Blaskowitz in het bijzijn van prins Bernard werden ondertekend. 'Wie er per se van uit wil gaan dat als de bevrijdingsdag van westelijk Nederland de dag moet gelden waarop het capitulatiedocument (het was gedateerd: 5 mei 1945) door Blaskowitz werd ondertekend, dient de zesde mei, niet de vijfde, als de bevrijdingsdag te beschouwen,' zo schrijft Loe de Jong dan ook in een voetnoot bij zijn verslag van de laatste oorlogsdagen ({Nederland in de Tweede Wereldoorlog, dl. 10b, Den Haag 1982). Maar vele jaren later meldde chef-staf Reichelt dat Blaskowitz niet in de Landbouwhogeschool, maar een uur eerder in een verlaten rijtjeshuis op weg van Rhenen naar Wageningen had getekend (G. J. H. Krosenbrink, Gelderland Nu, 1975). Foulkes zou daarmee de verslagen tegenstander een nieuwe vernedering ten overstaan van de wereldpers hebben willen besparen. In de Landbouwhogeschool is Blaskowitz nooit geweest.

Drees bood zijn hoge gasten mariakaakjes aan

De februariramp was een samenloop van storm en springtij

Chroesjtsjow sloeg woedend met zijn schoen op tafel

Martin Luther King zei: 'I had a dream\dots '

Mandela's voornaam was Nelson

Militante feministes verbrandden hun beha's

Neil Armstrong zei: 'That's one small step for a man, one giant leap for mankind.'

Jim Lovell zei: 'Houston, we have a problem.'

Henry Kissinger vroeg: 'Wie moet ik bellen om Europa aan de lijn te krijgen?'

Irene Vorrink zei: 'Je suis ministre du milieu.'
'Je moet iets voor me doen. Een nog immer opduikende anekdote wil dat ik ooit in Frankrijk heb gezegd 'ministre du milieu' te zijn. Kortom: haha, in die armoedzaaierspartij spreken ze geen Frans.'
Aldus Irene Vorrink (1918--1996), minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne in het kabinet-Den Uyl van 1973 tot 1977, in een interview in De Tijd van 25 september 1987. Met 'le milieu' wordt in Frankrijk het criminele circuit, de onderwereld aangeduid (met 'die armoedzaaierspartij' bedoelde Vorrink de Partij van de Arbeid).
'Maar ik heb voortreffelijk onderwijs genoten op het Barlaeusgymnasium in Amsterdam. Reeds voor de oorlog las ik Franse boeken. Wil je dat verzinsel op het nippertje uit de wereld helpen?'
De anekdote lijkt ontsproten aan het brein van Willem Frederik Hermans, die ermee kwam, zonder nadere bronvermelding, in zijn rubriek in Het Parool van 15 juli 1978. 'Aha, vandaar dat ze de handel in hasj wil vrijgeven, dacht menigeen.'